Vul de cijfers in zonder dat hetzelfde cijfer twee keer in een rij of kolom voorkomt. De dikke lijnen maken groepjes van vakjes. In elk groepje staat een getal met een rekenteken. Dat vertelt wat de cijfers in dat groepje samen moeten maken.

Staat er bijvoorbeeld 6+? Dan moeten de cijfers in dat groepje samen 6 zijn. Bij 6× moeten ze samen vermenigvuldigd 6 worden. 2− betekent dat het verschil 2 is en 2÷ dat het ene getal gedeeld door het andere 2 is.

Je moet dus steeds twee dingen tegelijk oplossen: de sudoku én de rekensommetjes. Kies 3×3, 4×4 of 5×5.

Elke dag staat er een nieuwe klaar!