Oefen belangrijke taalonderdelen van groep 5 met afwisselende werkbladen. Bij elk onderwerp vind je twee werkbladen, zodat kinderen de vaardigheid op verschillende manieren kunnen oefenen.

Dit zijn de onderwerpen:

  • Alfabet

  • Basisvormen

  • Hoofdletters

  • Onderwerp en persoonsvorm

  • Tegenwoordige en verleden tijd

  • Verkleinwoorden

  • Verwijzingen

  • Voegwoorden

  • Voorzetsels

  • Werkwoordvormen

  • Zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden

  • Meervouden


Alfabet

Kinderen zetten woorden in alfabetische volgorde. Ze letten eerst op de beginletter en vergelijken daarna ook volgende letters. Op Museumcatalogus ordenen ze woorden met aandacht voor de tweede en derde letter. Op Woorden op volgorde zetten ze verschillende rijtjes woorden alfabetisch neer.


Basisvorm

Kinderen ontdekken hoe een woord eruitziet in de basisvorm. Ze oefenen bijvoorbeeld met meervouden, verkleinwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden. Op Terug naar de basis schrijven ze woorden terug naar hun basisvorm en zetten ze in het juiste vak. Op Woordfamilies in het notitieboek zoeken ze de basisvorm van een woord in een zin.


Hoofdletters

Kinderen leren dat namen van mensen, plaatsen, landen en straten met een hoofdletter beginnen. Op De namenredactie verbeteren ze eigennamen die met een kleine letter zijn geschreven. Op Controleer de naamlabels bekijken ze of namen op labels goed zijn geschreven en verbeteren ze de namen die nog niet kloppen.


Onderwerp en persoonsvorm

Kinderen zoeken in een zin het onderwerp en de persoonsvorm. Ze gebruiken de persoonsvorm om het onderwerp te vinden en letten erop dat die twee bij elkaar passen. Op Zet het onderwerp vooraan markeren ze eerst onderwerp en persoonsvorm en herschrijven ze daarna zinnen. Op Onderwerp en persoonsvorm: een team kiezen ze het onderwerp dat bij de persoonsvorm past.


Tegenwoordige en verleden tijd

Kinderen oefenen met werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd. Ze letten op woorden die vertellen wanneer iets gebeurt, zoals vandaag, gisteren en vorige week. Op Tijdswissel in een dagboek zetten ze een dagboekfragment in de verleden tijd. Op Werkwoordcontrole zoeken en verbeteren ze zinnen waarin de werkwoordsvorm niet past bij het onderwerp of het tijdwoord.


Verkleinwoorden

Kinderen maken verkleinwoorden en oefenen met de juiste spelling van de uitgang. Op Verkleinwoorden repareren verbeteren ze verkeerd gespelde verkleinwoorden en onderstrepen ze de uitgang. Op Verkleinwoorden: uitgangenspeurders maken ze van gewone woorden een verkleinwoord en schrijven ze het hele woord op.


Verwijzingen

Kinderen leren namen in een tekst te vervangen door persoonlijke voornaamwoorden, zoals hij, zij en ze. Ze letten erop dat duidelijk blijft over wie het gaat. Op Voorkom naamherhaling vullen ze een passend voornaamwoord in en geven ze aan naar wie het verwijst. Op Herstel de verwijzing controleren en verbeteren ze voornaamwoorden in zinnen.


Voegwoorden

Kinderen gebruiken voegwoorden om zinnen met elkaar te verbinden. Ze oefenen met woorden als en, maar, of en want en ontdekken dat niet ieder voegwoord in elke zin past. Op De voegwoordendokter verbeteren ze zinnen met een verkeerd voegwoord. Op Verbind de zinnen! maken ze van twee zinnen één goede zin.


Voorzetsels

Kinderen leren voorzetsels herkennen en gebruiken, bijvoorbeeld onder, naast, tussen en tijdens. Op Kies het voorzetsel vullen ze zinnen aan met woorden uit een woordenbank. Op Voorzetsels zoeken omcirkelen ze het voorzetsel en onderstrepen ze de woorden die erbij horen.


Werkwoordvorm

Kinderen oefenen met verschillende vormen van een werkwoord. Ze leren de persoonsvorm in een zin herkennen en ontdekken hoe het hele werkwoord, de stam en de ik-vorm bij elkaar horen. Op Vind de persoonsvorm onderstrepen ze de persoonsvorm en schrijven ze het hele werkwoord op. Op Van heel werkwoord naar ik-vorm vullen ze de stam en de ik-vorm in.


Zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord en werkwoord

Kinderen leren zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden van elkaar onderscheiden. Ze ontdekken dat een bijvoeglijk naamwoord iets vertelt over een zelfstandig naamwoord. Op Welke woorden vertellen meer? onderstrepen ze bijvoeglijke naamwoorden in zinnen. Op Woordsoorten in het rariteitenkabinet verdelen ze woorden over de juiste kolommen.


Woordsoorten: meervouden

Kinderen oefenen met meervouden van zelfstandige naamwoorden. Ze bekijken hoe woorden veranderen als er meer dan één van iets is en letten op de juiste spelling. Op Controleer de meervouden herkennen en verbeteren ze fout geschreven meervouden in zinnen. Op Woordsoorten: meervoudenjacht zoeken ze zelfstandige naamwoorden en schrijven ze de meervoudsvorm op.