Welkom in je eigen digitale tekenatelier! Op deze pagina vind je een grote verzameling tekenopdrachten voor kinderen van groep 3 tot en met groep 8. Er zijn 36 verschillende onderwerpen, met bij elk onderwerp vier werkbladen. Samen zijn dat 160 opdrachten om uit te kiezen, genoeg ideeën om het hele schooljaar regelmatig aan het tekenen te gaan.
Je kunt de pagina op verschillende manieren gebruiken. Misschien zoek je een snelle tekenstart voor de klas, een opdracht voor de creatieve werkhoek of iets voor kinderen die eerder klaar zijn. Je kunt een werkblad rechtstreeks uitprinten en meteen uitdelen, maar je kunt de opdrachten ook gebruiken als inspiratie voor een eigen les. Laat kinderen bijvoorbeeld zelf een onderwerp kiezen, pas de opdracht aan de leeftijd van je groep aan of geef alleen de eerste zin en laat ze zelf verder denken.
De opdrachten gaan over fantasie, verhalen, dieren, ontwerpen, kleur, beweging, perspectief en nog veel meer. Er is geen tekening die precies goed moet worden. Juist de eigen ideeën, grappige oplossingen en onverwachte uitwerkingen maken deze opdrachten leuk. Hetzelfde werkblad kan er bij ieder kind compleet anders uitzien.
Blader rustig rond, kies wat bij jouw groep past en zet deze pagina om tot je eigen digitale atelier. Print één opdracht uit, verzamel er een paar voor later of maak een map met favorieten. Zo heb je altijd een nieuw idee bij de hand.
1. Maak de tekening af
Bij deze tekenopdrachten is het begin al gegeven, maar de tekening is nog lang niet klaar. Leerlingen bekijken goed welk stukje er op het blad staat en bedenken zelf wat daarbij hoort. Ze maken bijvoorbeeld een staart buiten beeld af, tekenen verder aan een hand achter een gordijn, vullen een halve machine aan of geven een vreemd been een lichaam.
Er is bewust geen voorbeeld dat iedereen moet namaken. De ene leerling maakt van een staart een dier, terwijl een ander misschien een monster of een fantasiefiguur tekent. De werkbladen kunnen zelfstandig worden gemaakt, maar zijn ook leuk om daarna kort te bespreken: wat zag jij in het gegeven stukje?
2. Wat zit erachter?
Op deze werkbladen is een deel van de situatie verborgen. Leerlingen zien bijvoorbeeld een boom, deur, muur of wolk en tekenen wat zich daarachter bevindt. Ze moeten dus niet alleen iets tekenen, maar ook bedenken wat er buiten beeld gebeurt.
Laat leerlingen eerst rustig kijken naar de plaats en de grootte van het gegeven onderdeel. Daarna kunnen ze hun eigen verhaal tekenen. Achter een deur kan een kamer zitten, maar ook een geheime gang of een heel andere wereld. De vier werkbladen geven steeds een ander uitgangspunt, waardoor de uitwerkingen vanzelf sterk van elkaar kunnen verschillen.
3. Wat komt eruit?
Een doos, koffer, gat of schoorsteen staat open. Maar wat komt eruit? De leerlingen bedenken zelf wat er tevoorschijn komt en maken de situatie verder af. Dat kan iets gewoons zijn, maar juist een onverwachte oplossing maakt de tekening interessant.
Deze werkbladen zijn geschikt als korte tekenopdracht, maar ook als aanleiding voor een klein verhaal. Wie of wat zit er in de doos? Waarom komt het uit de schoorsteen? En wat gebeurt er als de koffer opengaat? Iedereen kan vanuit hetzelfde beginpunt een heel andere kant op.
4. Van heel dichtbij
Bij deze opdrachten bekijken de leerlingen iets alsof ze er heel dicht bovenop staan. Een enorm oog, een reuzenschoen, een grote sleutel of een blad dat verandert in een landschap vormt het begin van de tekening.
Door iets sterk te vergroten, leren kinderen nadenken over details en over wat wel of niet binnen het beeld past. Misschien valt een deel van het voorwerp buiten het papier. Hoe ziet de rest van deze wereld eruit? Of teken je eigen ontwerp van heel dichtbij.
5. Maak iets van een vorm
Op het werkblad staat een eenvoudige vorm: een vlek, krul, ronde vorm of hoekige vorm. De leerlingen kijken goed naar de vorm en maken er iets nieuws van. De vorm kan een onderdeel van een dier worden, een voertuig, een gebouw of zelfs het begin van een hele scène.
Het is niet de bedoeling dat iedereen hetzelfde tekent. De oorspronkelijke vorm mag zichtbaar blijven, maar mag ook helemaal onderdeel worden van de nieuwe tekening. Een fijne opdracht voor kinderen die soms niet weten hoe ze moeten beginnen.
6. Maak iets van een krabbel
Een krabbel lijkt in eerste instantie misschien nergens op. Toch zit er vaak een vorm, figuur of beweging in verstopt. De leerlingen kijken wat ze in de krabbel herkennen en werken die verder uit tot bijvoorbeeld een dier, voertuig, monster of gebouw.
Gummen hoeft niet. De lijnen die er al staan, blijven gewoon onderdeel van de tekening. Daardoor leren kinderen dat een eerste lijn niet fout hoeft te zijn en dat je vanuit bijna alles iets nieuws kunt maken.
7. Geef een voorwerp
een leven
Wat ontstaat er als je twee totaal verschillende dingen samenvoegt? Leerlingen combineren bijvoorbeeld een fiets en een vis, een boom en een huis, een hond en een raket of een stoel en een vogel.
Ze kunnen de twee onderdelen gewoon naast elkaar tekenen, maar het is interessanter wanneer ze echt één nieuw ontwerp maken. Waar beweegt het naartoe? Waar woont het? Waarvoor wordt het gebruikt? Door die vragen ontstaat er naast een grappige tekening vaak ook een klein verhaal.
8. Geef een voorwerp
een leven
Een voorwerp krijgt in deze opdrachten een eigen gezicht, houding en karakter. Een stoel kan boos zijn, een boterham nieuwsgierig, een paraplu verdrietig en een schooltas vrolijk. Leerlingen laten met ogen, mond, armen, benen en houding zien wat het voorwerp voelt.
De voorwerpen hoeven niet realistisch te blijven. Een schooltas kan rennen en een paraplu kan iemand achterna zitten. De opdracht is vooral leuk wanneer leerlingen proberen het gevoel duidelijk te maken zonder het erbij te schrijven. Voeg iets toe aan de bestaande tekening of bedenk iets zelf.
9. Fantasiedieren
Deze dieren bestaan nog niet, maar misschien zouden ze best kunnen bestaan. Leerlingen ontwerpen een dier met drie staarten, een dier dat vliegt en zwemt, een dier met een huis op zijn rug of een dier dat alleen achteruit loopt.
Laat ze niet alleen nadenken over het uiterlijk. Waar leeft het dier? Wat eet het? Hoe beweegt het? Door een paar van die vragen te bespreken, worden de ontwerpen vaak verrassender en krijgt ieder fantasiedier een eigen manier van leven.
10. Reuzenwereld
In deze tekeningen zijn de verhoudingen helemaal anders dan normaal. Een reuzenschoen staat midden in de stad, een kind staat naast een gigantische boterham en een piepklein huis ligt naast een enorm potlood.
Leerlingen tekenen verder en laten duidelijk zien wat groot en klein is. Dat kan met mensen, gebouwen, dieren en voorwerpen. Het helpt om eerst één ding extra groot of juist heel klein te maken en daarna de rest van de omgeving daarop aan te passen.
11. Miniwereld
In een gewone schoen, broodtrommel, fles of ruimte onder een bed kan een complete miniwereld zitten. Leerlingen bedenken wie daar woont of wat daar gebeurt. Misschien zitten er kleine bewoners in een fles, of is de ruimte onder het bed veel groter dan je aan de buitenkant zou denken.
Deze voorbeelden zijn een mooie aanleiding om te tekenen vanuit een ander formaat. Laat leerlingen nadenken over kleine deuren, meubels, lichtbronnen en spullen die bij zo’n verborgen wereld passen.
12. De wereld ondersteboven
Wat gebeurt er als de gewone regels niet meer gelden? Een huis kan aan het plafond hangen, een school kan onder de grond zitten en mensen kunnen ondersteboven over straat lopen. Ook een boom met de wortels omhoog zorgt voor een heel ander beeld.
Leerlingen mogen de wereld zo vreemd maken als ze willen. Het helpt om eerst te kijken welke onderdelen al omgedraaid zijn en daarna de omgeving daarop aan te passen. Zo blijft de tekening niet bij één gek idee, maar wordt het een complete wereld.
13. Een wereld zonder rechte lijnen
In deze opdrachten mogen rechte lijnen even niet meedoen. Gebouwen golven, scholen worden rond, straten kronkelen en muren bewegen alle kanten op. Leerlingen moeten daardoor op een andere manier nadenken over bekende dingen.
Het kan helpen om eerst met een potlood te kijken hoe een huis of straat eruitziet zonder rechte kanten. Daarna werken leerlingen de vorm verder uit met ramen, deuren, mensen en andere details. De beperking maakt de opdracht juist interessant: een gewoon huis tekenen kan nu niet meer.
14. Ontwerp een voertuig
Leerlingen ontwerpen een voertuig dat nog niet bestaat. Het ene werkblad vraagt om een voertuig voor op het water, het andere om een voertuig voor in de lucht of op de maan. Het laatste werkblad daagt uit om een voertuig te bedenken dat eigenlijk alles kan.
Laat leerlingen niet alleen de buitenkant tekenen. Waar stappen mensen in? Hoe beweegt het voertuig? Wat zit er binnenin? Door daar kort over na te denken, krijgen de ontwerpen meer inhoud en worden het niet alleen bijzondere vormen met een paar wielen.
15. Ontwerp een huis
Een huis hoeft niet altijd op de grond te staan. Leerlingen ontwerpen een huis voor een reus, een huis op poten, een huis in een boom of een huis dat zelf kan rijden. Ze bedenken hoe de bewoners binnenkomen en hoe het huis wordt gebruikt.
De vier werkbladen geven steeds een ander uitgangspunt, maar laten veel ruimte voor eigen keuzes. Extra kamers, trappen, ramen, geheime ruimtes en bijzondere meubels mogen allemaal worden toegevoegd.
16. Ontwerp een machine
Sommige problemen zouden makkelijk zijn als er een speciale machine voor bestond. Leerlingen ontwerpen een machine die opruimt, regen maakt, sokken zoekt of dromen maakt. Ze bedenken zelf welke onderdelen daarvoor nodig zijn.
Knoppen, tandwielen, buizen, hendels en lampjes mogen allemaal een functie krijgen. Het hoeft geen machine te worden die echt gebouwd kan worden, maar leerlingen moeten wel kunnen vertellen wat er gebeurt wanneer je hem aanzet.
17. Ontwerp kleding
Kleding kan bescherming bieden, iemand herkenbaar maken of zelfs geheime functies hebben. Leerlingen ontwerpen kleding voor een superheld, ruimtereiziger, onderwaterfeest of een personage met bijzondere mogelijkheden.
Ze kunnen nadenken over zakken, riemen, helmen, laarzen, vleugels en andere onderdelen. De kleding mag opvallend worden, maar moet ook passen bij de persoon of situatie waarvoor ze bedoeld is.
18. Teken een gevoel
Een gevoel hoeft niet alleen in een gezicht te staan. Een boom kan boos lijken, een huis verdrietig en een storm vrolijk. Leerlingen geven gewone dingen een gevoel en laten dat zien met vorm, houding, lijnen en details.
Bespreek vooraf kort hoe je een gevoel zichtbaar kunt maken. Een boze boom krijgt misschien scherpe takken, terwijl een vrolijke storm juist rond en beweeglijk kan worden getekend. Daarna mogen leerlingen hun eigen oplossing kiezen.
19. Teken een beweging
Op deze werkbladen staat iemand midden in een beweging. De figuur springt, struikelt, danst of tilt iets zwaars. Leerlingen maken de situatie verder af en proberen ervoor te zorgen dat je aan de tekening kunt zien wat er gebeurt.
Beweging kan zichtbaar worden door de houding, haren, kleding, lijnen rond het lichaam of voorwerpen die meegaan. Het hoeft geen perfecte anatomische tekening te worden. Het belangrijkste is dat de figuur niet stijf blijft staan.
20. Wat gebeurde er?
Je ziet alleen wat er na een gebeurtenis is overgebleven. Er ligt iets op de grond, er is iets misgegaan in de keuken, iedereen rent weg of de klas ziet er opeens anders uit. Leerlingen bedenken wat er vlak daarvoor gebeurde en tekenen hun eigen verklaring.
De werkbladen kunnen ook gebruikt worden als aanleiding voor een kort gesprek of verhaaltje. Laat leerlingen eerst de situatie bekijken en daarna tekenen wat volgens hen de oorzaak is. Meerdere antwoorden zijn mogelijk.
21. Wat gebeurt hierna?
De tekening stopt precies vóór het belangrijkste moment. Een deur gaat open, een ballon vliegt weg, een taart valt om of een dier ontsnapt. Leerlingen tekenen het vervolg en bepalen zelf hoe het verhaal verdergaat.
Sommige kinderen tekenen één duidelijke volgende gebeurtenis, anderen maken er meteen een hele scène van. Beide manieren zijn goed. Het gaat erom dat leerlingen leren voortbouwen op wat al zichtbaar is.
22. Strip zonder woorden
Met een paar tekenvakken vertellen leerlingen een verhaal zonder tekst. Ze tekenen bijvoorbeeld een onverwachte vondst, een hond die verdwijnt, een schoen die op reis gaat of een dag waarop alles misgaat.
Let erop dat de volgorde duidelijk blijft. Wat gebeurt eerst, wat daarna en hoe loopt het af? Leerlingen kunnen de strip eerst met potlood plannen en daarna verder uitwerken. Een bespreking achteraf maakt zichtbaar hoe verschillend dezelfde opdracht kan worden opgelost.
23. Teken een geluid
Geluiden kun je niet zien, maar je kunt ze wel tekenen. Bij deze opdrachten werken leerlingen met geluiden als krak, plons, zoef en boem. Ze tekenen wat het geluid veroorzaakt en laten met lijnen en beweging zien hoe hard of snel het klinkt.
Een krak kan bij een brekende tak horen, maar ook bij een robot of een bijzonder voertuig. Laat leerlingen zelf bepalen wat er precies gebeurt. Daardoor ontstaat bij ieder geluid een andere situatie.
24. Spiegelbeeld
Een spiegelbeeld lijkt meestal op degene die ervoor staat, maar in deze opdrachten mag het spiegelbeeld iets anders laten zien. Misschien liegt de spiegel, ziet een dier iets bijzonders of kijkt het personage naar iets achter zich.
Leerlingen tekenen wat er in en rondom de spiegel gebeurt. Ze kunnen spelen met verschil, omkering en verrassing. De opdracht is daardoor niet alleen een oefening in spiegelen, maar vooral een aanleiding voor een vreemd of grappig beeld.
25. Schaduw
Een schaduw kan groter zijn dan het voorwerp dat hem veroorzaakt, een verkeerde vorm hebben of zelfs een eigen leven leiden. Leerlingen tekenen wat er bij de schaduw hoort en bedenken waarom deze niet helemaal klopt.
Laat ze letten op de richting van het licht, maar geef ook ruimte aan fantasie. De schaduw hoeft niet natuurgetrouw te worden. Juist de afwijking maakt de tekening interessant.
26. Silhouet
Bij een silhouet zie je alleen een donkere vorm. Daardoor is niet meteen duidelijk wie of wat er staat. Leerlingen tekenen de omgeving en maken duidelijk wat zich achter het gordijn, raam of in de mist afspeelt.
Ze kunnen het silhouet herkenbaar maken door houding, spullen of beweging. Soms blijft het juist spannend wanneer niet alles wordt verklapt. De werkbladen zijn daardoor geschikt voor leerlingen die graag verhalen en geheimzinnige situaties bedenken.
27. Door een opening kijken
Een sleutelgat, raam, brievenbus of verrekijker geeft maar een beperkt zicht op de wereld. Leerlingen tekenen wat er door de opening te zien is. Dat kan iets alledaags zijn, maar ook een plek of situatie die je helemaal niet verwacht.
Laat ze nadenken over het standpunt: wie kijkt er en waar bevindt die persoon zich? Door zo’n kleine opening kan een grote gebeurtenis zichtbaar worden. De beperkte blik zorgt vanzelf voor een verrassende compositie.
28. Van bovenaf
Van bovenaf kijk je anders naar een klaslokaal, speeltuin, picknick of stad. Je ziet vooral de indeling, de plekken waar mensen staan en de vormen van tafels, straten en gebouwen.
Leerlingen vullen de startsituatie aan en ontwerpen de rest van het beeld vanuit dit standpunt. Het helpt om niet meteen details te tekenen, maar eerst te bepalen waar de grote onderdelen liggen. Daarna kunnen personen, spullen en kleine gebeurtenissen worden toegevoegd.
29. Van onderaf
Een gebouw, reus, boom of vliegend voertuig ziet er heel anders uit wanneer je vanaf de grond omhoog kijkt. Leerlingen tekenen verder vanuit dit lage standpunt en proberen te laten zien wat dichtbij en wat ver weg is.
De onderkant van een voorwerp of persoon mag duidelijk zichtbaar zijn. Ook delen die boven het beeld uitsteken, kunnen de tekening sterker maken. Zo oefenen leerlingen op een speelse manier met kijken vanuit een ongewoon perspectief.
30. Door een lijst of kader
Een kader laat maar een stukje van een grotere situatie zien. Op de werkbladen komt iets het beeld binnen, gebeurt er iets buiten het kader of blijkt er achter een schilderij een hele kamer te zitten.
Leerlingen tekenen verder buiten wat al zichtbaar is. Ze bepalen zelf wie of wat buiten beeld staat en hoe dat bij de gegeven onderdelen past. Het is een goede opdracht om te laten zien dat een tekening niet altijd alles hoeft te laten zien.
31. Perspectief
Een lange gang, weg, treinreis of straat loopt naar een punt in de verte. Leerlingen tekenen verder richting de horizon en voegen onderweg nieuwe onderdelen toe. Huizen worden kleiner, een trein verdwijnt langzaam uit beeld en een weg krijgt steeds meer diepte.
De tekeningen hoeven niet technisch perfect te zijn. Het belangrijkste is dat leerlingen merken dat voorwerpen verder weg kleiner worden en dichterbij groter blijven.
31. Overlapping
Wanneer dieren, mensen of voorwerpen voor en achter elkaar staan, ontstaat er diepte in een tekening. Op deze werkbladen beginnen leerlingen met een paar onderdelen en bouwen ze de situatie verder uit. Ze maken bijvoorbeeld een stapel dieren, vullen een kledingkast aan, tekenen een rij mensen of leggen steeds meer spullen op een tafel.
Laat leerlingen goed kijken welk onderdeel vooraan staat en welk onderdeel gedeeltelijk verborgen raakt. Juist door niet alles volledig te tekenen, wordt duidelijk wat vóór en achter elkaar ligt.
32. Patronen en versiering
Een eenvoudige jas, een dier, een masker of een huis kan door patronen een heel eigen uitstraling krijgen. Leerlingen beginnen met een paar gegeven versieringen en vullen de rest zelf aan met lijnen, stippen, bloemen, golven, vormen of andere motieven.
Je kunt de werkbladen gebruiken om verschillende patronen uit te proberen. Sommige leerlingen kiezen voor herhaling en regelmaat, terwijl anderen juist een bonte verzameling maken. Het eindresultaat hoeft niet symmetrisch of netjes hetzelfde te zijn.
33. Kleuruitdaging
Bij deze tekenopdrachten krijgen leerlingen steeds een andere kleurregel. Ze werken alleen met warme kleuren, alleen met koude kleuren, laten groen weg of geven alles juist een onverwachte kleur. Daardoor kijken ze op een andere manier naar een gewone tekening.
Laat leerlingen eerst de afbeelding verder tekenen en daarna de kleurkeuze bepalen. Bij de opdracht zonder groen moeten ze bijvoorbeeld nadenken over een andere kleur voor gras en bladeren. Het gaat niet om de ‘juiste’ kleur, maar om bewust kiezen en durven afwijken.
34. Textuur en Materiaal
Hoe ziet een wereld eruit waarin alles zacht, stekelig, glanzend of van hout is? Leerlingen tekenen de ontbrekende details en gebruiken verschillende lijnen en patronen om het materiaal zichtbaar te maken. Een zacht kussen krijgt andere lijnen dan een stekelige plant, en hout vraagt weer om nerven en knoesten.
De werkbladen zijn geschikt om eerst met potlood te tekenen en daarna eventueel in te kleuren. Laat leerlingen niet alleen het grote onderwerp aanpassen, maar ook kleine onderdelen in dezelfde textuur meedoen. Zo wordt de hele scène één bijzondere materiaalwereld.